© Stabiton Kennisbank :: Referentienormen beton
Auteur: Gilbert Vanden Borre Versie: 2010-01-04
Referentienormen beton
Inhoud
Cement
Het gebruikte cement zal voldoen aan de voorschriften van de normen NBN EN 197-1 en PTV 603. Voor speciale cementsoorten worden deze voorschriften aangevuld met:
NBN B 12-108 voor cement met hoge bestandheid tegen sulfaten (HSR-cement)
NBN B 12-109 voor cement met begrensd alkaligehalte (LA-cement)
NBN B 12-110 voor cement met hoge aanvangssterkte (HES-cement)
Het gebruikte cement draagt de CE-markering (als bewijs van overeenkomstigheid met NBN EN 197-1) en het BENOR merk of gelijkwaardig (als bewijs van overeenkomstigheid voor gewone cementsoorten met PTV 603 en voor de speciale cementsoorten met PTV 603 én NBN B 12-108/109 of 110). Onderstaande tabel geeft ter informatie de genormaliseerde aanduiding van de in België geproduceerde cementen weer (Uittreksel uit NBN EN 197-1 (2000))
 
Type Benaming Aanduiding Sterkteklasse
I Portlandcement CEM I   32,5
II Portlandvliegascement CEM II/A-V  
II/B-V
Portlandkalksteencement CEM II/A-L of LL
Portlandcomposietcement CEM II/A-M (S-V-L-LL) 42,5 N
II/B-M
III Hoogovencement CEM III/A   52,5 R
III/B
III/C
V Composietcement CEM V/A (S-V)  
 
De NBN EN 197-1 vervangt de nationale norm NBN B 12-001. In vergelijking met de oude NBN B 12-001 dienen de aanduidingen van portlandcomposietcement en van composietcement voortaan vervolledigd te worden met de vermelding van de hoofdbestanddelen, die ze, naast portlandklinker, bevatten. Met betrekking tot een verhoogde radonconcentratie valt het gebruik van hoogovencement naar de toekomst toe af te raden.
Granulaten
Alle gebruikte granulaten dienen verplicht voorzien te zijn van een CE-markering. De codificatie van de granulaten gebeurt volgens de voorschriften van PTV 411. De voorschriften van de meest recente versies van de normen NBN EN 12620, NBN EN 13242 en in voorkomend geval NBN EN 13055 zijn van toepassing. De proeven op de granulaten gebeuren volgens de Europese normen m.b.t. de proefmethoden, waarnaar in de hoger vermelde normen verwezen wordt.
Aanmaakwater
Aanmaakwater
Het aanmaakwater moet voldoen aan de voorschriften van NBN EN 1008 - Aanmaakwater voor beton - Specificatie voor monsterneming, beproeving en beoordeling van de geschiktheid van water, inclusief spoelwater van reinigingsinstallaties in de betonindustrie, als aanmaakwater voor beton (2002).
Hulpstoffen
De gebruikte hulpstoffen zullen voldoen aan de aan de normen van de reeks NBN T 61 en NBN EN 934-2. Zij dragen het BENOR keurmerk of een gelijkwaardige certificering. Het gebruik van toeslagstoffen wordt, op verantwoordelijkheid van de aannemer, enkel toegelaten mits voorafgaandelijke goedkeuring door de architect en/of ingenieur stabiliteit en op voorwaarde dat de toeslagstoffen geen aanleiding geven tot vermindering van de breukweerstand of verhoging van krimp.
Keuring
Elk tewerkgesteld beton is in overeenstemming met NBN EN 206-1 + NBN B 15-001 (2003).
Beton voorzien van het merk van overeenkomstigheid BENOR, is vrijgesteld van voorafgaande technische keuringen. Het Bestuur behoudt zich evenwel het recht voor, in geval van twijfel, controles uit te voeren bij de levering. Indien het resultaat negatief is, vallen de kosten van deze controles ten laste van de aannemer.
Beton dat geen BENOR-merk of technische goedkeuring (ATG) bezit, moet beschikken over een technisch dossier, bevattende de bewijsvoering dat het beton beantwoordt aan de eisen van NBN EN 206-1 en NBN B 15-001 (2004). Alle kosten van nazicht van de gelijkwaardigheid en controle van de proeven vallen ten laste van de aannemer. Alle uitvoeringsvoorwaarden welke voorkomen in de betrokken normen, de typevoorschriften PTV en de technische goedkeuring, zijn van toepassing op het betrokken product.
Referentienormen
Voor de respectievelijke betonwerken (zowel stortklaar, geprefabriceerde elementen, spanbeton) gelden onderstaande normen en aanbevelingen, gehanteerd in hun laatste uitgave (van kracht één week voor aanbesteding) inclusief alle aanvullingen.
Toepassingsgebied Referentienormen
Cement
NBN EN 197-1 + PTV 603 voor alle cementsoorten
NBN B 12-108 voor cement met hoge bestandheid tegen sulfaten (HSR-cement)
NBN B 12-109 voor cement met begrensd alkaligehalte (LA-cement)
NBN B 12-110 voor cement met hoge aanvangssterkte (HES-cement)
Granulaten
NBN EN 12620 - Toeslagmateriaal voor beton (2002)
NBN EN 13055-1 - Lichte toeslagmaterialen - Deel 1: Lichte toeslagmaterialen voor beton en mortel (2002)
NBN EN 13242 - Toeslagmaterialen voor ongebonden en hydraulisch gebonden materialen voor burgerlijke bouwkunde en wegenbouw (2003)
PTV 411 - Codificatie van de granulaten
Hulpstoffen
NBN T 61 volledige reeks
Aanmaakwater
NBN EN 1008 - Aanmaakwater voor beton - Specificatie voor monsterneming, beproeving en beoordeling van de geschiktheid van water, inclusief spoelwater van reinigingsinstallaties in de betonindustrie, als aanmaakwater voor beton (2002)
Beton
NBN EN 206-1 - Beton - Deel 1 : Eisen, gedraging, vervaardiging en overeenkomstigheid
NBN B 15-001 - Aanvulling op NBN EN 206-1 - Beton - Eisen, gedraging, vervaardiging en overeenkomstigheid (2003)
Wapening-Betonstaal
NBN A 24 volledige reeks
NBN A 21-101
Afstandhouders
TV 217 (technische voorlichting WTCB)
Ingebetonneerde staalprofielen
Reeks NBN B 51 - Stalen bouwconstructies
Reeks NBN ENV 1993 - Eurocode 3 : Ontwerp van stalen draagsystemen
Reeks NBN ENV 1994 - Eurocode 4 : Ontwerp van gemengde staal-beton draagsystemen
Toelaatbare maatafwijkingen
TV 127 (technische voorlichting WTCB)
Architectonisch beton
PRB 200 (Federatie v.d. Betonindustrie)
Prefab elementen in sierbeton
PTV 21-601 - uitgave 2-2001 - Geprefrabiceerde architectonische en industriële elementen van sierbeton
Specifiek voor spanbeton
Reeks NBN I 10 - Voorspanstaal
PTV 212 - uitgave 1-2001 : Geprefabriceerde wandelementen van gewapend beton en van voorgespannen beton
 
Voor meer informatie en een algemeen overzicht raadpleeg ook 'Memento - Cement/Beton' van Febelcem, De Federatie van de Belgische Cementnijverheid.
Betonkwaliteit
Algemeen
De kwaliteit van het beton wordt gespecificeerd overeenkomstig de norm NBN EN 206-1 en NBN B 15-001 (2004). Deze normen vervangen de vroegere nationale norm NBN B 15-001 (1992). Binnen deze betonspecificatie worden 4 criteria gehanteerd:
Sterkteklasse
Omgevingsklasse
Consistentieklasse
Grootte van het granulaat
Merk op: bij conventie wordt dus geen concrete samenstelling van het beton opgegeven.
Sterkteklasse
Sterkteklasse
C x/y
Aanbevolen
Toepassingsgebied
C 8/10  
C 12/15  
C 16/20 lichte funderingen - niet gewapende en weinig belaste elementen
C 20/25 funderingen - vloerplaten op volle grond
C 25/30 balken - lateien - kolommen - dakgebinten - wanden - vloerplaten
C 30/37 balken - opleggen - kolommen - dakgebinten
C 35/40 kolommen - dakgebinten
C 40/50 kolommen
C 45/55  
C 55/67  
C 60/75  
C 70/85  
C 80/95  
C 90/105  
C 100/115  
 
C x/y: waarbij:
x = de karakteristieke druksterkte in N/mm2 op cilinders met een diameter van 150 mm en een hoogte van 300mm na 28 dagen en bij 20°C.
y = f ck kubus, karakteristieke druksterkte in N/mm2 op kubussen met een zijde van 150 mm, na 28 dagen en bij 20°C.
Opmerking
Voor de normale gebouwenconstructies in gewapend beton is de meest gebruikelijke klasse C 25/30.
Omgevingsklasse
NBN B 15-001 (2004) definieert 13 omgevingsklassen
Merk op: deze 'omgevingsklassen' verschillen van de 'blootstellingsklassen' uit de vroegere NBN B 15-001 (1992)
In de geharmoniseerde norm NBN EN 206-1 worden milieuklassen gedefinieerd. Aan de hand van Tabel 1a - NBN B 15-001 (2004) kan voor elke omgevingsklasse de relevante milieuklasse bepaald worden. Men opteert in België echter voor de aanduiding a.h.v. omgevingsklassen eerder dan a.h.v. milieuklassen.
Omgevingsklassen Milieuklassen
Klasse Omschrijving OB(1) GB(2) en VB(3)
E0 Niet schadelijk X0 Niet van toepassing
EI Binnenomgeving X0 XC1
EE Buitenomgeving    
EE1 Geen vorst X0 XC2
EE2 Vorst, geen contact met regen XF1 XC3, XF1
EE3 Vorst, contact met regen XF1 XC4, XF1
EE4 Vorst en dooizouten (aanwezigheid van ter plaatse ontdooid of opspattend of aflopend dooizouthoudend water) XF4 XC4, XD3, XF4
ES Zeeomgeving    
  Geen contact met zeewater; wel contact met brak water en /of zeelucht; tot 1 km van kust    
ES1 Geen vorst XA1 XC2, XS2, XA1
ES2 Vorst XF1 XC4, XS1, XF1
  Contact met zeewater    
ES3 Getijden- en spatzone XF4, XA1 XC4, XS3, XF4, XA1
ES4 Ondergedompeld XA1 XC1, XS2, XA1
EA Agressieve omgeving    
EA1 Chemisch zwak agressieve omgeving volgens tabel 2 van NBN EN 206-1 XA1 XA1
EA2 Chemisch middelmatig agressieve omgeving volgens tabel 2 van NBN EN 206-1 XA2 XA2
EA3 Chemisch sterk agressieve omgeving volgens tabel 2 van NBN EN 206-1 XA3 XA3
(1) OB = ongewapend beton
(2) GB = gewapend beton
(3) VB = voorgespannen beton
Bron: Tabel 1a uit NBN B 15-001 (2003)
 
De afgeleide eisen in verband met de omgevingsklasse (W/C factor en het minimum cementgehalte) leiden meestal tot een theoretische betonsamenstelling in consistentieklasse F0. Voor het bekomen van een verwerkbare consistentieklasse is dus een aanpassing van de betonsamenstelling noodzakelijk, namelijk een hogere cementdosering en/of gebruik van een superplastificeerder. Hogere omgevingsklassen leiden meestal tot een betonsamenstelling van een hogere sterkteklasse dan deze die nodig is om reden van de sterkteberekening.
Consistentieklasse
De aannemer kiest een consistentieklasse i.f.v. een goede plaatsing en verdichting van het beton. Het bepalen van de consistentie gebeurt door het meten van de zetmaat (S), de Vebetijd (V), de verdichtingsmaat (C) of de schudmaat (F).
 
Zetmaat in mm Vebetijd in sec. Verdichtingsmaat Schudmaat in mm
S1 (10 tot 40 mm) V0 (> 31 s) C0 (> 1,46) F1 (> 340 mm)
S2 (50 tot 90 mm) V1 (30 tot 21 s) C1 (1,45 tot 1,26) F2 (350 tot 410 mm)
S3 (100 tot 150 mm) V2 (20 to 11 s) C2 (1,25 tot 1,11) F3 (420 tot 480 mm)
S4 (160 tot 210 mm) V3 (10 tot 6 s) C3 (1,10 tot 1,04) F4 (490 tot 550 mm)
S5 (> 220 mm) V4 (5 tot 3 s)   F5 (560 tot 620 mm)
      F6 (> 630 mm)
 
Bij voorkeur zal klasse S3 of F3 toegepast worden. Het gebruik van hulpstoffen (sterk waterreducerend vloeimiddel - superplastificeerder) zal in vele gevallen nodig zijn om te voldoen aan de eisen i.v.m. de omgevingsklasse en de consistentie.
Maximum korrelgrootte granulaat
"D" maximum (mm) dient gekozen te worden uit onderstaande reeks en moet daarbij kleiner zijn dan:
< 1/4 van de kleinste afmeting van de te betonneren constructie
< de vrije afstand tussen de wapeningsstaven verminderd met 5 mm
< 1,3 maal de betondekking van de wapening
 
6 mm 8 mm 10 mm 11 mm 14 mm 16 mm 20 mm 22 mm 32 mm 40 mm 45 mm 63 mm
 
Nota aan de ontwerper
Korrelgrootte : D max = 14 mm voor balken en kolommen, 20 mm voor platen, 10 mm voor druklagen van welfsels. (Let wel : deze criteria gelden niet bij ongewapend beton).
Door opgave van de omgevingsklasse wordt tevens de minimale cementdosering en de maximale W/C factor bepaald. De Water-Cement-factor, het cementgehalte en de hoeveelheid aanmaakwater worden door de betoncentrale bepaald op basis van de vereiste omgevingsklasse en de vereiste consistentie. Het beton moet daarbij voldoende plastisch zijn en verdicht kunnen worden, opdat de wapeningen goed zouden omhuld zijn en het roesten ervan voorkomen wordt. Het naderhand toevoegen van water op de werf is verboden.
Voor de omgevingsklasse wordt meestal EE3 of EE1 gevraagd.
De consistentieklasse en de maximale korrelgrootte van de granulaten laat men in principe bepalen door de aannemer in functie van de uit te voeren elementen en op basis van de gewenste verwerkbaarheid.
 
Voorbeeld van een betonspecificatie : Gewapend beton voor een kolom met een dichte wapening in een normale buitenomgeving, zonder probleem van verwerking.
 
Sterkteklasse Omgevingsklasse Consistentieklasse Maximale korrelgrootte
minimum Minimum keuze aannemer keuze aannemer
C25 /30 EE3 S3 D 8 mm